De methode-Haas

Mijn overgrootvader Maarten Haas (1872-1963) werkte vierenvijftig jaar lang, van 1884 tot 1937, in het basisonderwijs. Zijn visie op opvoeding heeft nog niets aan waarde heeft ingeboet. Hieronder de tien stelregels van Haas, in zijn eigen woorden, op basis van zijn ongepubliceerde mémoires.

Stel je op de hoogte van het milieu waarin de leerlingen opgroeien
Bezoekjes aan het ouderlijk huis zijn hiervoor het meest geschikt. Doe dat als het kind ziek is, maar ook als er op school iets is gebeurd, “en de ouders, in casu de moeders, bleken in doorsnee zoo’n bezoek te waarderen”.

Schrijf elke week op het bord een zinspreuk
Bijvoorbeeld: “Doe wel en zie niet om”. Laat de spreuk daar de hele week staan. Verbind er geen zedepreek aan, geef hooguit een korte uitleg.

Neem een kind apart als er eens iets niet in de haak is
Als je iets met een kind te bespreken hebt, is het belangrijk dat in alle rust te doen. De klas hoeft het niet te weten. Maarten Haas vroeg dan bijvoorbeeld aan het kind om een boodschap naar zijn huis te brengen, “zodat we eventjes rustig konden praten”.

Pas de chocoladetactiek toe
“Met een jongen, die koppig was, ging ik niet redeneeren, noch dwingen! Neen, zoo stikum liep ik zijn bank voorbij en stopte hem een stukje chcola in de mond. Vóór de klasse staande, knikte ik hem zoo ongemerkt even toe.” 

Zorg voor een rustige stemming
Maarten Haas noemde dit ook wel: een religieuze stemming. “Stel vertrouwen in de uitwerking van de stille kracht”. Wat natuurlijk in kleine klassen makkelijker te bereiken was dan in grote klassen.

Kijk vooruit
Draag het kinderen niet na als ze een keer iets verkeerd hebben gedaan. “Wat gebeurd was was af! Er werd niet meer over gesproken!” 

Wees eerlijk tegenover kinderen
Hoezeer deze regel als een open deur klinkt, voor menig leider is dit nog steeds een moeilijk toe te passen vaardigheid: “Plaats je niet op een podium alsof je een ongenaakbare majesteit bent, erken je fouten desnoods ook.”

Geef de kinderen arbeid, laat ze werken
Kinderen die hun taak af hadden, konden achter in de klas boeken en platen vinden voor zelfstudie en afleiding. “Dat stilzitten met handen over elkaar, het leek me een gruwel, zeker, omdat ik dit zelf in geen geval kon!”. 

Wees de vriend der kinderen
“Leef met de kinderen mee en ze worden je vertrouwden”, “Niet door gestrengheid, neen, juist door zich geheel te geven, verwerft men de sympathie der leerlingen”. “Heel zelden ben ik werkelijk streng opgetreden. Ik dacht aan mijn eigen jeugd…”

Zaai, zonder te vragen, of het zaad hier en daar is opgeschoten!
Een onderwijzer vraagt zich niet af of al zijn goede bedoelingen resultaat hebben. Hij zaait.” Een visie die nog eens het overdenken waard is in een tijd waarin scholen massaal gericht zijn op “opbrengstgericht leren” en door ouders voornamelijk op cito-scores worden beoordeeld.

Vraag het de mannen (ook)

“Vraag niet aan vrouwen hoe ze hun werk willen regelen als ze kinderen krijgen.” Dat is het advies van twee topvrouwen die genomineerd zijn voor de verkiezing Topvrouw 2013. Met mannen wordt het nooit besproken, dus aan vrouwen mag je het ook niet vragen, zo is hun redenering. Een slecht advies, als je het mij vraagt. In plaats van het onderwerp te verzwijgen, zou je het beter ook aan mannen kunnen vragen. Die ontdekken gelukkig in steeds groter getale dat kinderen opvoeden belangrijk, intensief én leuk is. De voetbalclub, de familie, de collega’s op het werk en de vrienden in het café gaan dat heus merken. Laten we daar geen taboe van maken.